Warning: Cannot modify header information - headers already sent by (output started at /home3/necro666/public_html/www.bicycletta.be/wp-content/plugins/easy-facebook-likebox/includes/easy-custom-facebook-feed-widget.php:3) in /home3/necro666/public_html/www.bicycletta.be/wp-content/plugins/wp-super-cache/wp-cache-phase2.php on line 60
ZADELPEN: Leren scheren, leren vliegen - Bicycletta
scheiren

ZADELPEN: Leren scheren, leren vliegen

 

“Scheiren!”

De open garage kijkt uit op een grindpad dat leidt naar de straat, bloemen in bloei en stallen met levensgrote machines als beesten die slapen, verdroogde aarde nog aan hun vlijmscherpe tanden.

“Scheiren!”

Als een paard in dressuur fietst het kind om en om zijn grootvader. Hij leunt vervaarlijk naar de buitenbocht, maar vallen kan hij niet: een lange, oude sjaal loopt als een haarspeld om zijn smalle borst, een levenslijn waarvan de uiteinden geborgd zijn in de krachtige, verweerde hand van zijn grootvader.

“Scheiren!”

Scheren is nog niet nodig op de prille leeftijd van het kind, maar scheren doet hij. Hij leert in dit moment niet alleen zijn evenwicht houden op twee wielen, maar ook dat scheren verschillende dingen betekent. Het is ook iets voor laagvliegers. Vogels in duikvlucht over de vlakke velden achter het huis, plots van koers veranderend wanneer de wind in hun vleugels grijpt.

“En scheiren!”

Het kind maakt een nieuwe bocht in hun kleine velodroom. Hoe lang draaien ze zo om elkaar heen? Ze weten het niet. Voor het kind bestaat de tijd nog niet, voor de oude man bestaat hij niet meer. Ze zijn eeuwig als Jupiter en zijn kleine maan Io, de garage hun universum waar ze banen om elkaar beschrijven.

“Scheiren!”

Behalve dat ene woord zegt de man niet veel. De grootvader en het kind zullen elkaar nooit goed kennen. Een zwijgzame man en een bedeesd kind, dat stolt elke woordenbrij in wording tot een stug stremsel. Nog voor het kind volwassen is, zal zelfs de unieke korrel in de stem van de man in zijn geheugen vervaagd zijn.

Maar bijzondere momenten overstijgen het woord. Zoals leren fietsen in de wollen wieg van een oude sjaal, steeds weer linksom, de arm van de grootvader werkend als tegengewicht voor de middelpuntvliedende kracht.

Het kind stelt zich voor dat de man de sjaal uiteindelijk loslaat. Dat hij als een discuswerper vaart heeft opgebouwd om hem dan langs het grindpad op een baan in de wereld te brengen. Dat hij langs de sjaal woordeloos zijn boodschap kan seinen, recht het hart van het kind in. Dat, als de man toch woorden had gebruikt, het deze waren geweest: ga dan, mijn kleine man, mijn kleine maan, en word je eigen middelpunt.

 


 

“Hebt ge mij nog vast?”
“Ja ja!”

Onder zijn witte banden knerpt het grind zich uit de weg van zijn onvaste, onvoorspelbare baan. In zijn rug voelt de jongen de zachte duw van zijn moeder, gebukt en met één hand het zadel vasthoudend. Langs haar hand stroomt stil vertrouwen het fietsje, zijn rug en armen in. Er kan niks gebeuren zolang ze de koord niet verbreekt. De fiets is hemelsblauw, de zon staat hoog.

“Hebt ge mij nog vast?”
“Ja ja!”

Ze zijn op het hof van haar ouders. Een generatie terug is ze hem hier op haar eerste fiets voorgegaan in een even kromme baan. Nu leidt ze hem met vrije hand op het pad, dat in een L-vorm van het hof naar de buitenwereld loopt, en steeds weer terug. Hij weet het nog niet, zij evenmin, maar ze doet veel meer dan zijn zadel vasthouden en haar lange pas ontdubbelen op het ritme van zijn trappers: met haar vrije rechterhand zwaaiend in de lucht grift ze in zwierig schrift een blijvende herinnering in de geest van het kind.

“Hebt ge mij nog vast?”
“Ja ja!”

Alarm. Zo-even klonk haar stem nog veel dichter bij zijn oor. Een vlugge blik achterom leert dat zijn moeder meters ver achter hem staat. Ze heeft net gedaan wat ze sinds zijn geboorte al talloze keren gedaan heeft, en later nog vaker zal moeten doen: hem loslaten. Haar blik is er een van verwondering en trots. Hij kan het. Maar de koord is verbroken. Plots is hij moederziel alleen in een wereld waarin hij niets kan dan vallen op de steenslag onder zijn dikke banden.

Leren fietsen was geen binaire kwestie van nul of één. Nee, het was een weifelend pad dat af en toe, nooit voor lang, de middenlijn van de perfecte balans ontmoette. Een zaak van vergeefs tasten naar houvast in een opeenvolging van kleine pogingen. Niet geloven dat het mogelijk is, en plots vaststellen dat dat precies is wat men doet: het onmogelijke. Zoals het leven zal zijn.

En toch, in mijn hoofd is het zo. Nul, nul, nul en ineens één. Het ene moment leerde ik scheren, het volgende kon ik vliegen.

Mijn leven bestond dan ook uit een rij ledige dagen en twee lege handen om ze in te vullen. Tijd vormt het gedroomde biotoop om snel te leren, dus snel leren deed ik. Meer nog dan tijd had ik eeuwigheid. Mijn hart, mijn innerlijke metronoom, fladderde als een vlinder en de tijd zomerde zo loom dat hij me niet volgen kon op mijn cyclische tocht van het hof naar de straat en terug.

In de tijd beschreef ik een ellenlange serie L’en. Steeds weer kalkte ik een witte letter bij op het grind. Overschreef de vorige met een nieuwe, telkens met iets vastere hand in het pad gestuurd.

Het was 1989. Waar het pad uitgaf op de straat, was er een wielerwedstrijd. In de tijd dat de renners één ronde aflegden, had ik precies genoeg tijd om mijn L twee keer te maken, en nog even reikhalzend uit te kijken naar de rode vlag, de zwaantjes en de sponsorwagen.

Daar stond ik trots. Met mijn stalen, blauwe minifiets hoorde ik nu bij het volk op twee wielen. Konden de renners het ook zien, in hun voorbijtrekkende wolk van beenzalf, snot en lucht hakkende vierspaakswielen, dat ik één van hen was? Dat ik alleen nog moest wachten en groeien, en dan een druppel zou worden in hun collectieve lichaam?

Dat mijn kleine leven, zo klein dat het helemaal paste op mijn blauwe fietsje, net oneindig groter was geworden met de belofte van alle wegen van de wereld?

Dat ik vooralsnog leerde om met witte banden L’en te schrijven in het grind, om later geschiedenis te kunnen schrijven?